Spitsstaartamadine

  • Wetenschappelijk: Poephila acuticauda
  • Engels: Long-tailed Finch

Delen van dit artikel zijn gepubliceerd in het tijdschrift 'Onze Vogels' in 2018

spitsstaart amadine

Koppel spitsstaartamadines. De man (rechts)

heeft een duidelijk donkerder rode snavel en een bredere 'bef' dan de pop. 

 
   

De spitsstaartamadine (Poephila acuticauda) is toch wel één van de bekendere Australische amadinesoorten. Zowel de Nederlandse als de wetenschappelijke benaming verwijzen naar zijn meest opvallende kenmerk, namelijk zijn in verhouding lange en spitse staart (acuti = scherp, cauda = staart).  

De spitsstaartamadine komt van nature voor in het noorden van Australië. Er zijn twee ondersoorten, Poephila a. acuticauda en Poephila acuticauda hecki. Het grensgebied tussen beiden soorten ligt grofweg rond de Victoria river(1), met in het westen de nominaatvorm acuticauda en in het oosten de ondersoort hecki. De ondersoorten zijn van elkaar te onderscheiden doordat de nominaatvorm een gele snavel heeft, en hecki een rode. De in gevangenschap gehouden vogels zijn vrijwel altijd van de oostelijke ondersoort. De geslachten zijn onderling vrij lastig te onderscheiden. De man heeft vaak een enigszins grotere keelvlek en wat langere staart, en bovendien vaak een donkerder of dieper rode snavel dan de pop.

Verzorging

De spitsstaartamadine is vrij gehard en kan in de meeste gevallen zonder problemen zonder bijverwarming worden gehouden. Voorwaarde is wel dat de vogel zich terug kan trekken in een geïsoleerd nachthok. De vogels zijn wat ruimtebehoevender dan bijvoorbeeld bichenow- en binsenastrildes, maar zijn goed te houden in een ruime broedkooi. Wat verse takken van coniferen, sparren, etc. worden als extra schuilplaats zeker gewaardeerd. In de volière wordt beplanting ook zeer op prijs gesteld. Als nestgelegenheid worden halfopen nestkastjes en gesloten tropennestkastjes geaccepteerd. De spitsstaarten bouwen zelf het nest van allerlei voor handen zijnde materialen zoals sisaltouw, kokosvezel, grashalmen, etc.

Een tropenmengeling is een goede basisvoeding voor de spitsstaartamadine. Zo nu en dan aanvullen met onkruidzaad en/of een mengeling voor wildzangvogels komt de vogels zeker ten goede.

Al in mijn oudere vogelboeken, zoals dat van A. Rutgers (1954)(2)  wordt de spitsstaartamadine als een gemakkelijk te kweken en te houden vogel beschouwd. De spitsstaart is inderdaad een vogel die geschikt is voor beginnende vogelliefhebbers: redelijk hard, niet agressief en dus geschikt voor een gezelschapsvolière, en over het algemeen vrij makkelijk te kweken. Een leuke vogel dus voor degenen die willen beginnen met Australische prachtvinken maar zich nog niet aan de duurdere of lastiger te kweken soorten willen branden. Hoe succesvol deze soort wordt gekweekt in gevangenschap zien we ook terug in de hoeveelheid exemplaren die we op tentoonstellingen en beurzen tegenkomen en natuurlijk aan het veelvoud aan kleurmutaties, waarvan de bekendste grijs, bruin, isabel en crème-ino zijn.

Natuurlijke leefwijze

Samen met de gordelgrasvink en de maskeramadine vormt de spitsstaartamadine het geslacht der grasvinken: Poephila. Inderdaad komen alle drie de soorten voor in graslanden afgewisseld met beekjes en schroefpalmen in het noorden van Australië(3). Spitsstaartamadines voeden zich op en bij de grond met rijpe en halfrijpe graszaden en insecten. Je ziet ze vaak in de buurt van maskeramadines. Qua uiterlijk lijken ze veel op gordelgrasvinken, hoewel de gordel in tegenstelling tot de spitsstaart een zwarte snavel heeft, en bovendien de lange puntige staart mist.

Spitsstaarten broeden rondom het natte seizoen, namelijk van februari tot in november. De balts heeft gemeenschappelijke kenmerken met de andere Australische prachtvinken, namelijk een voor de pop op en neer ‘hoppende’ man, vaak met een grasspriet in de snavel. Na dit gedeelte zet hij zijn kop- en keelvlek veren wat op, waarna hij met de kop op en neer gaat en herhaaldelijk zijn snavel afveegt aan de zitstok. Spitsstaarten maken hun nest het liefst hoog, bijvoorbeeld in een schroefpalm, maar er worden ook nesten in het gras of struikgewas aangetroffen. Het nest wordt gebouwd van allerlei materialen zoals gras, riet, en buigzame takjes. Het wordt voorzien van een ‘toegangstunnel’ en aan de binnenkant bekleed met zachtere materialen zoals veren of zachtere plantendelen(3). Ook wordt er wel houtskool, wat in deze gebieden veel aangetroffen kan worden door de regelmatige bosbranden, in de nesten aangetroffen.

In het nestje worden 4 tot 6 eitjes gelegd die door beide ouders worden bebroedt en na ongeveer 14 dagen uitkomen. De jongen blijven hierna nog drie weken in het nest, waarna ze nog ongeveer eenzelfde tijd door de ouders worden (bij)gevoerd. De snavel van de juvenielen is zwart.

Referenties:

  • 1 Simson, K. (Ill.: Day, N.) (2004) Birds of Australia Helm Field Guides, Ed.: 7th, p. 272
  • 2 Rutgers, A. (1954) Tropische Volierevogels 1. Littera Scripta Manet, Zutphen
  • 3 Payne, R., Christie, D.A. & De Juana, E. (2010) Del Hoyo, J., Elliot, A., & Christie, D.A. (Eds.) Handbook of the Birds of the World, vol. 15: Weavers to New World Warblers. Lynx Edicions, Barcelona