Diamantvink

Dit artikel is gepubliceerd in het tijdschrift 'Onze Vogels' juni 2018

Wetenschappelijk: Stagonopleura guttata (Alias: Emblema guttata)

Australische benaming: Diamond firetail

De diamantvink is een forse Australische prachtvink die een ‘zwaar’ en ‘geblokt’ uiterlijk heeft. Verder opvallend zijn de rode snavel en stuit, de zwarte oogteugel, en de zwarte borstband die overloopt naar de zwarte, met witte ‘diamanten’ ingelegde flanken. Ondanks het forse uiterlijk een hele chique vogel om te zien, en ook qua gedrag het bewonderen waard.

Natuurlijke leefomgeving

De diamantvink heeft zijn verspreidingsgebied in zuidoost Australië, waar hij voorkomt in een groot deel van New South Wales, en delen van Zuid-Australië en Queensland*(1). Daar zijn ze vooral te vinden in de zogenaamde ‘woodlands’, gebieden die zich kenmerken door enkele bomen (vaak eucalyptusbomen) met daartussen grasvlaktes en laaggroeiend struikgewas. Ook tref je ze wel aan in aangelegde parken en tuinen. Ze foerageren vrijwel uitsluitend op de grond, waar ze zoeken naar rijpe en halfrijpe zaden van grassen en onkruiden, jonge bladknoppen, en, met name in het broedseizoen, insecten en hun larven. Ze komen voor in groepen van meestal enkele tientallen vogels, welke in het broedseizoen (tussen augustus en januari) uiteenvallen in kleinere groepjes. Diamantvinken bouwen hun bolvormige nesten in het lage struikgewas, en opvallend genoeg ook hoger, maar dan wel aan de basis van raven- en roofvogelnesten.

Houden in gevangenschap

Als men op de oudere bronnen afgaat*2 blijkt dat diamantvinken in de importtijd vrij gevoelig waren bij het overwennen naar een leven in gevangenschap, en dat de uitval dan ook relatief hoog was. De export van vogels vanuit Australië kwam al in de jaren ’60 stil te liggen en sindsdien is de liefhebber aangewezen op de vogels die toen al in Nederland en Europa zaten.

Onze huidige diamantvink is juist een vrij harde tropenvogel die zich relatief makkelijk laat verzorgen. Wel hebben de vogels de neiging om te vervetten. Dit kan worden voorkomen door ze het hele jaar in vluchtjes te huisvesten of in elk geval door de vogels niet te vroeg en te lang op te kooien. Mits geleidelijk overgewend, zijn diamantvinken tamelijk goed bestand tegen de kou. Een tocht- en vorstvrij nachthok is wel aan te raden, en/of het aanbieden van nestkastjes om in te slapen (die dan hetzelfde effect hebben). Ook van nature maken ze, buiten de kweekperiode om, wat simpelere nesten om in te slapen. Als basisvoedsel kan een goed tropenmengsel aangevuld met wat onkruidzaad worden aangeboden.

Diamantvinken badderen opvallend graag. Hierbij doorweken ze zichzelf zodanig dat ze haast niet meer omhoog kunnen komen, en dit steeds zodra er een verse schaal badwater wordt aangeboden. De vogels mogen niet met te grote aantallen in één vlucht worden gehuisvest, aangezien ze erom bekend staan elkaar in zo’n situatie te gaan plukken. Over het houden in de gezelschapsvolière zijn de meningen verdeeld, ze kunnen heel verdraagzaam of juist verstorend zijn ten opzichte van andere vogels. Dit zal afhangen van het individuele koppel, de andere soorten in de volière, en de grootte en inrichting van de volière.

De Kweek

Belangrijk bij diamantvinken is de partnerkeuze. Ze laten zich minder makkelijk koppelen dan andere prachtvinken en daarom kan men ze het beste zelf laten kiezen. Door een groep vogels in een vlucht verschillende kleurringen aan te doen, kan in de gaten worden gehouden welke vogels een koppel vormen en kunnen deze vervolgens apart in een kweekvluchtje of kweekkooi worden gezet.

Diamantvinken hebben een heel mooie balts waarbij de man met een zo’n lang mogelijke grasstengel of ander lang nestmateriaal op en neer danst om het popje te versieren. Eenmaal verliefd en verloofd gaan de vogels aan de gang met hun nest, waarbij de man het grootste deel van het ‘sjouwwerk’ doet en de pop vooral het weefwerk. Ze bouwen een relatief groot nest wat zowel ‘vrij’ in een struik of andere geschikte plaats, als in een nestkastje kan worden gebouwd. Hiervoor worden kokosvezels, grasstrengen en ander lang en grover nestmateriaal gebruikt. De binnenkant van het nest wordt door de vogels bekleed met zachter materiaal zoals sharpie, veertjes en haar. Ze leggen meestal 5 tot 6 eieren (soms wat minder of meer), die 12-14 dagen worden bebroed. De jongen blijven ruim 3 weken in het nest, wat lang is in vergelijking met andere soorten prachtvinken.

Na een maand of 4 zijn de jongen geheel op kleur. De mannen en poppen laten zich dan nog lastig onderscheiden. Enige indicatie biedt de zwarte borstband, die vaak wat breder is bij de man dan bij de pop. Hetzelfde geldt voor de zwarte teugels, die ook wat breder en intensiever zwart kunnen ogen bij de man. Over het algemeen geeft de man ook een wat forsere indruk en kan de snavelkleur een indicatie zijn. Bij broedrijpe vogels wordt de washuid rond de ogen bij de man feller rood van kleur terwijl deze bij de pop juist bleker is.

Mutaties

Van de diamantvink zijn de mutaties overgoten (‘zilver’), bruin, agaat (‘bruinvleugel’) en oranjesnavel bekend. De agaatmutatie is hiervan het minst voorkomend.

Referenties

1. Simpson, K. and Day, N. (2004) Field Guide to the Birds of Australia, Helm Field Guides, 7th [Rev] Ed.

2. Rutgers, A. (1954) Tropische Volièrevogels 1, Uitgeverij Littera Scripta Manet - Zutphen, 5e druk