Swiftparkiet

  • Wetenschappelijk: Lathamus discolor
  • Engels: Swift Parrot

Zowel qua gedrag als qua uiterlijk is de swiftparkiet naar mijn mening een van de mooiste kooi- en volièrevogels. Waarom leest u verderop in dit artikel. 

Swiftparkieten in het wild

Het natuurlijke verspreidingsgebied van de swiftparkiet bevindt zich in het Zuid-Oosten van Australië, inclusief Tasmanië*(1). Swiftparkieten zijn zowel behendige vliegers als klimmers, die zich in de vrije natuur hoofdzakelijk voeden met bloesems. Insecten, vruchten en zaden staan ook op het menu. 

 

Geslachtsonderscheid

Het geslacht kan bij swiftparkieten op meerdere manieren worden vastgesteld:

  • Verenkleed: De hoofdkleur van de swiftparkiet is groen. Beide geslachten hebben rode schouders en een blauwe vleugelrand. Bij de man zijn deze gebieden feller en dieper van kleur als bij de pop. Ook is het rode masker veel feller en heeft de man een diepblauwe 'kroon', bij de pop is dit vaak meer een blauwachtige waas. Ook heeft de man vaak meer geel aan de zijkanten van snavel en masker. Ook heeft de man meer rood bij de stuit dan de pop. Over het algemeen kan dus gezegd worden dat de man feller van kleur is dan de pop. Hoe ouder een swiftparkiet wordt, hoe mooier hij opkleurt. Men moet hierbij wel oppassen: per individu zit er veel verschil in kleurscherpte: je hebt heel felle poppen en fletse mannen.
  • Oogkleur: de man heeft meestal een gele iris, de pop een oranje tot bruine iris. Bij jonge vogels is het kleurverschil tussen iris en pupil nauwelijks waarneembaar.
  • Vleugelstreep: de pop heeft meestal een geel/witte vleugelstreep aan de onderkant van de slagpennen. Jonge mannen hebben hier witte 'stippen' en bij oudere mannen is de onderkant meestal egaal van kleur.

Voeding

Swiftparkieten hebben veel gemeenschappelijke kenmerken met lori's. Deze kenmerken zijn waarschijnlijk veroorzaakt door convergente evolutie*(2), dat wil zeggen dat lori's en swiftparkieten onafhankelijk van elkaar dezelfde eigenschappen hebben verkregen. 

Zij vormen dan ook een uitzonderingsgroep onder de parkieten wat de voeding betreft. Het zadenmengsel wordt bij hen aangevuld met (in het broedseizoen iedere dag, hierbuiten tweemaal per week) een pap van Orlux loripap aangelengd met water en honing. Dit kan eventueel nog over in stukken gesneden brood gegoten worden, voor het wordt verstrekt. Ook hebben de swiften meer behoefte aan fruit dan de andere vogels in onze volières. Onder andere mango wordt opvallend graag gegeten. Verder worden er in het voorjaar bloesems en bloemen verstrekt, waar zij graag de stuifmeel van eten. 

Gedrag, Huisvesting en Kweek

Swiftparkieten zijn goed bestand tegen de kou, en kunnen 's winters dan ook makkelijk buiten worden gehouden, mits

  jonge swiften
 Jonge swiften in het nest.
Swiftparkieten
 Een mooie club swiften bij elkaar

zij droog en uit de tocht kunnen gaan zitten. De vogels zijn een stuk gevoeliger voor de warmte en tijdens warme zomerdagen zitten zij al snel met de bek open te hijgen. Door te zorgen dat de swiften in de schaduw kunnen gaan zitten en door ze nat te sproeien met de tuinslang kan worden voorkomen dat zij van hun stokje gaan door de warmte.

Swiften zijn speelse, nieuwsgierige vogels. Er is voor hen geen echte reden nodig om ondersteboven aan het gaas te gaan hangen. Voor een stukje fruit of ander lekkers zijn ze best bereid nog iets verder te

Swiftparkiet  
 Behalve qua gedrag, behoren swiften
ook qua uiterlijk tot de meest
bijzondere soorten!
 

gaan. Ze halen dan alle denkbare toeren uit om bij de lekkernij te kunnen komen. Verder zijn het zeer behendige vliegers. Door deze eigenschappen komen de swiften het beste tot hun recht in een volière met zowel veel vliegruimte als veel klimmogelijkheden.

Vooral in het voorjaar is 's ochtends en 's avonds de zang van de man te horen. In vergelijking met de meeste kromsnavels kan hij best een aardige melodie laten horen.

Als een koppel broeds is, zal de man met brede schouders en uitgebreide fluittonen voor de pop op en neer paraderen. De pop wordt herhaaldelijk gevoerd door de man. Samen kiezen zij een geschikt nestblok uit, waarbij de man vaak snel trillend met zijn vleugels bij de ingang van een nestblok gaat zitten. Wellicht wil hij hiermee de pop duidelijk maken dat hij een geschikte plek gevonden heeft voor het leggen van de eieren. Vaak gaat de voorkeur uit naar een redelijk diep blok (35-45 cm), met een bodemoppervlak van 20x20, maar de plaats van het blok lijkt hen belangrijker te zijn dan de grootte. Het legsel van de pop bestaat uit drie tot soms zeven eieren. Rond de dag dat de ogen zich openen kunnen de jongen worden geringd met een ring van 5 mm.

Zowel het kweken in kolonies als paarsgewijs behoort tot de mogelijkheden. Ook andere vogelsoorten worden meestal met rust gelaten.

Referenties

  1. Simpson, K. and Day, N. (2004) Field Guide to the Birds of Australia, Helm Field Guides, 7th [Rev] Ed., p. 144
  2. Forbes, W.A. (1879), On the systematic position of the genus Lathamus, Proceedings of the Zoological Society of London (current: Journal of Zoology) Vol. 47, No. 1